wederkeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·der·keer

Werkwoord

vervoeging van
wederkeren

wederkeer

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wederkeren
    • ... dat ik wederkeer. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.