wedde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wed·de
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bezoldiging’ voor het eerst aangetroffen in 1130 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord wedde wedden
weddes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

  1. bezoldiging, loon, salaris
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wedden

wedde

  1. enkelvoud verleden tijd van wedden
    • Ik wedde. 
    • Jij wedde. 
    • Hij, zij, het wedde. 
  2. aanvoegende wijs van wedden

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen