waterspuwer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Waterspuwer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·ter·spu·wer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord waterspuwer waterspuwers
verkleinwoord waterspuwertje waterspuwertjes

Zelfstandig naamwoord

waterspuwer m

  1. (bouwkunde) korte buis aan het einde van de dakgoot voor het afvoeren van regenwater
  2. (bouwkunde) bouwornament ter verfraaiing van het einde van de goot
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be