waterkans

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·ter·kans
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord waterkans waterkansen
verkleinwoord waterkansje waterkansjes

Zelfstandig naamwoord

waterkans v / m

  1. (in België) uiterst kleine kans.

Gangbaarheid

51 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.