wapperen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wap·pe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘fladderen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1479 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wapperen
wapperde
gewapperd
zwak -d volledig

Werkwoord

wapperen

  1. inergatief heen en weer waaien
    • Haar haren wapperden in de wind toen de motorboot op snelheid kwam. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen