wansmaak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wan·smaak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wansmaak wansmaken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wansmaak m

  1. met een slecht esthetisch gevoel; met een slechte, ordinaire weinig ontwikkelde smaak
    • „Walgelijk”, reageert de één. „Dit is waarom ik dat blad niet meer lees. Wansmaak is één ding. Maar dit zijn gevaarlijke waanideeën”, reageert een ander.[2] 
    • Ze hebben niet zoals een Porsche of een Jaguar een chique historie of status, het zijn vooral rijdende tijdsbeelden. Gewone auto’s uit de seventies die net als de Niva niet uitblinken in schoonheid, maar die vooral de smaak (of moet ik zeggen de wansmaak?) van de jaren zeventig weerspiegelen.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 31 augustus 2017
  3. de Telegraaf 2 maart 2017