wanhoopten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wan·hoop·ten

Werkwoord

vervoeging van
wanhopen

wanhoopten

  1. meervoud verleden tijd van wanhopen
    • Wij wanhoopten. 
    • Jullie wanhoopten. 
    • Zij wanhoopten.