Naar inhoud springen

wandel

Uit WikiWoordenboek
  • wan·del
enkelvoud meervoud
naamwoord wandel -
verkleinwoord wandeltje wandeltjes

dewandelm

  1. gedrag, houding, levenswijze
vervoeging van
wandelen

wandel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wandelen
    • Ik wandel. 
  2. gebiedende wijs van wandelen
    • Wandel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wandelen
    • Wandel je? 
     In mijn vaste cadans wandel ik naar mijn dorp.[3]
     Als pelgrim wandel je zonder de ballast van het dagelijkse leven, waardoor je denken en je voelen zich herenigen en samen scherper en dieper gaan waarnemen, waardoor je zekerheden herkent die je daarvoor niet kan herkennen.[3]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]