wanbetaal
Uiterlijk
- wan·be·taal
| vervoeging van |
|---|
| wanbetalen |
wanbetaal
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wanbetalen
- Ik wanbetaal.
- gebiedende wijs van wanbetalen
- Wanbetaal!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wanbetalen
- Wanbetaal je?