walg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • walg

Werkwoord

vervoeging van
walgen

walg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van walgen
    • Ik walg. 
  2. gebiedende wijs van walgen
    • Walg! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van walgen
    • Walg je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.