waanvoorstelling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • waan·voor·stel·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord waanvoorstelling waanvoorstellingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

waanvoorstelling v [1]

  1. fantasiebeeld dat men voor werkelijk houdt

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen