waaks

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • waaks
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen waaks waakser waakst
verbogen waakse waaksere waakste
partitief waaks waaksers -

Bijvoeglijk naamwoord

waaks [2]

  1. heel goed de wacht kunnen houden met name van honden
    • De inbreker had geen rekening gehouden met de waakse hond. 
    • Tijd om te controleren of de schapen iets mankeert, is er niet. Hij moet ze opzij duwen voor de vastgelopen fietsers en scooteraars, die de kudde en de hond regelmatig complimenteren: „Prachtig gezicht”. „Je bent zo waaks, hè poppie.”[3] 


Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.

Verwijzingen