waaier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • waai·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord waaier waaiers
verkleinwoord waaiertje waaiertjes

Zelfstandig naamwoord

waaier m

  1. scherm in halve schijfvorm dat dient om te verkoelen door wind aan te waaien
    • Met dit warme weer worden veel waaiers verkocht. 
  2. iemand die wind aanwaait
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
waaieren

waaier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waaieren
    • Ik waaier. 
  2. gebiedende wijs van waaieren
    • Waaier! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waaieren
    • Waaier je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be