Naar inhoud springen

vuisten

Uit WikiWoordenboek
  • vuis·ten

devuistenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vuist
     Ze zat zo roerloos, ze had zo'n meditatieve blik in haar ogen, dat ze bijna een medeplichtige aan het spektakel leek, tot je haar gebalde vuisten zag, met de knokkels die wit door de huid heen schemerden.[1]
     Vincenzo heeft zijn vuisten gebald, hoog boven zijn hoofd.[2]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]
  1. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be