vrijerij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·e·rij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vrijerij vrijerijen
verkleinwoord vrijerijtje vrijerijtjes

Zelfstandig naamwoord

vrijerij v [1]

  1. erotisch getinte, lichamelijke toenadering
    • In die film verleidt een masochistische pianolerares (een meesterlijke Isabelle Huppert) een leerling, niet tot vrijerij maar tot knevelen en vernederen. Anderzijds randt ze haar pervers egomane moeder aan. Letterlijk, in het Weense ouderlijk bed. Het leverde een van de beste filmscènes op die ik ken, maar liefde? De pianojuf wilde wel, maar ze kon niet. [2] 
  2. een vriendelijke toenadering
    • Heracles liet na de vrijerij van New York City weten Pelupessy niet te willen laten gaan. De captain is een belangrijke speler op het veld en in de kleedkamer. Hij is een verbinder, een jongen die voorop gaat in de strijd en sociaal is. [3] 
    • Geruchten over een samenzwering tussen team-Trump en het Kremlin zwollen toch al aan sinds Trumps verbale vrijerij met Poetin in Helsinki. [4] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.


Verwijzingen