vouloir

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vouloir
/vulwaʁ/
voulais
/vulɛ/
voulu
/vuly/
derde groep volledig

Werkwoord

vouloir

  1. willen
    «C'est inutile de vouloir ça, tu ne l'auras jamais.»
    Het is nutteloos dat te willen, jij zal het nooit hebben.
    «Elle veut que je lui dise le prix.»
    Zij wil dat ik aan hem de prijs zeg.