vorste

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vors·te

Werkwoord

vervoeging van
vorsen

vorste

  1. enkelvoud verleden tijd van vorsen
    • Ik vorste. 
    • Jij vorste. 
    • Hij, zij, het vorste.