voosheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voos·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van voos met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord voosheid voosheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

voosheid v [1]

  1. (pejoratief) het zonder kracht of wezenlijke inhoud zijn
    • Moordkunst laat eens te meer zien dat Kellerman het schrijftalent heeft geërfd van zijn moeder Faye en zijn vader Jonathan. Doordat hij de zelfgenoegzame Ethan als verteller opvoert, raken we doordrongen van zowel diens voosheid als die van de kunstwereld waarboven hij zich ten onrechte verheven voelt. Het doet goed dat ook de hoofdpersoon geleidelijk beseft dat hij zijn prioriteiten hoognodig moet herzien. (HANS KNEGTMANS) [2] 
    • Veel ouderen rekenen zichzelf niet tot de wereld. Natuurlijk niet! Maar ook rekenen ze zichzelf niet tot de Kerk met een hoofdletter. Zij horen bij de derde categorie: zij zijn refo. Bloedserieus en oppassend, maar onbezield. Jongeren proeven de voosheid hiervan. [3] 
    • Professor Small leverde het geheim, dat hij blijkbaar als geen ander kende, over “van mens tot mens” en beroept zich ter verdediging van zijn handelwijze op de voosheid der morele wetten. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Verwijzingen