voorzegging
Uiterlijk
- [A] Geluid: voorzegging (hulp, bestand) vóórzegging
- IPA: / ˈvorzɛɣɪŋ / (3 lettergrepen)
- [B] Geluid: voorzegging (hulp, bestand) voorzégging
- IPA: / vorˈzɛɣɪŋ / (3 lettergrepen)
- voor·zeg·ging
- afleiding van naamwoord van handeling van voorzeggen met het achtervoegsel -ing [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | voorzegging | voorzeggingen |
| verkleinwoord | voorzegginkje | voorzegginkjes |
[A] de vóórzegging v
- influistering; de keer dat men iemand een antwoord voorzegt
[B] de voorzégging v
- voorspelling
- ▸ De oude vader zuchtte met doffe pijn: hij gevoelde dat de aaklige voorzegging van Willem zich kon bewaarheden; want Johanna van Navarra was een boze vrouw; echter liet hij zijn mistroostigheid niet blijken en sprak: "Het is niet redelijk, Willem, dat men zich bedroeve met smartelijke vooruitzichten.[2]
- ▸ Zijn droefheid was echter veel verminderd, want hij gaf geloof aan de voorzegging van de geneesheer.[2]
- ▸ " Jan van Gistel verbleekte bij de plechtige voorzegging des grijsaards.[2]
- Het woord voorzegging staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- 1 2 3 “De leeuw van Vlaanderen” (1838), Davidsfonds/Clauwaert, ISBN 9063063334
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 11
- Klemtoonhomogram in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -ing in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal