voortsnellen/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van voortsnellen | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | voortsnellen | voort te snellen | ||||||
| toekomend | zullen voortsnellen voort zullen snellen |
te zullen voortsnellen voort te zullen snellen | |||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben[1]/zijn[2] voortgesneld | te hebben[3]/zijn[4] voortgesneld | ||||||
| toekomend | voortgesneld zullen hebben[5]/zijn[6] | voortgesneld te zullen hebben[7]/zijn[8] | |||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||
| voortsnellend | voortgesneld | ev. snel voort | mv. verouderd snelt voort | snelle voort (bijzin) voortsnelle | |||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||
| hoofdzin | ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | |
| tegenwoordig (o.t.t.) | snel voort | snelt voort | snelt voort | snelt voort | snelt voort | snellen voort | snellen voort | snellen voort | |
| verleden (o.v.t.) | snelde voort | snelde voort | snelde voort | snelde voort | snelde voort | snelden voort | snelden voort | snelden voort | |
| toekomend (o.t.t.t.) | zal voortsnellen | zult/zal voortsnellen | zult/zal voortsnellen | zult voortsnellen | zal voortsnellen | zullen voortsnellen | zullen voortsnellen | zullen voortsnellen | |
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou voortsnellen | zou voortsnellen | zou(dt) voortsnellen | zoudt voortsnellen | zou voortsnellen | zouden voortsnellen | zouden voortsnellen | zouden voortsnellen | |
| bijzin | .. dat ik | .. dat jij, je | .. dat u | .. dat gij | .. dat hij, zij, het | .. dat wij | .. dat jullie | .. dat zij | |
| tegenwoordig (o.t.t.) | voortsnel | voortsnelt | voortsnelt | voortsnelt | voortsnelt | voortsnellen | voortsnellen | voortsnellen | |
| verleden (o.v.t.) | voortsnelde | voortsnelde | voortsnelde | voortsnelde | voortsnelde | voortsnelden | voortsnelden | voortsnelden | |
| toekomend (o.t.t.t.) | zal voortsnellen voort zal snellen |
zult/zal voortsnellen voort zult/zal snellen | zult/zal voortsnellen voort zult/zal snellen | zult voortsnellen voort zult snellen | zal voortsnellen voort zal snellen | zullen voortsnellen voort zullen snellen | zullen voortsnellen voort zullen snellen | zullen voortsnellen voort zullen snellen | |
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou voortsnellen voort zou snellen |
zou voortsnellen voort zou snellen | zou(dt) voortsnellen voort zou(dt) snellen | zoudt voortsnellen voort zoudt snellen | zou voortsnellen voort zou snellen | zouden voortsnellen voort zouden snellen | zouden voortsnellen voort zouden snellen | zouden voortsnellen voort zouden snellen | |
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||
| onpersoonlijke lijdende vorm voortgesneld worden | |||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||
| tegenwoordig | er wordt voortgesneld | er is voortgesneld | |||||||
| verleden | er werd voortgesneld | er was voortgesneld | |||||||
| toekomend | er zal voortgesneld worden | er zal voortgesneld zijn | |||||||
| voorwaardelijk | er zou voortgesneld worden | er zou voortgesneld zijn | |||||||