voortbewegen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voort·be·we·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voortbewegen
bewoog voort
voortbewogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

voortbewegen

  1. wederkerend zich verplaatsen, in beweging zijn
    • De slang bewoog zich met zijdelingse kronkels bliksemsnel voort over het zand. 
  2. overgankelijk aandrijven, doen bewegen
    • Het uurwerk wordt voortbewogen door middel van opgetrokken gewichten. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.