voorhanden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·han·den
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beschikbaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1560 [1]
stellend
onverbogen voorhanden
verbogen voorhanden (zijnde)

Bijvoeglijk naamwoord

voorhanden

  1. beschikbaar, voorradig
Opmerkingen
  • Meestal alleen predicatief gebruikt: dit is niet voorhanden.
  • Attributief soms met zijnde: de voorhanden (zijnde) materialen.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

voorhanden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord voorhand

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen