voorbede

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·be·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorbede voorbeden
voorbedes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

voorbede v/m [1]

  1. een verzoek uitspreken ten gunste van iemand anders
  2. (religie) bidden tot een heilige met het verzoek dat deze zich tot god richt met het verzoek
  3. (religie) een gebed dat men uitspreekt ten gunste van meerdere mensen
    • Hij zal dit weekend geen foto’s ophangen van afvalligen; misschien alleen voor hen voorbede doen.[2] 
    • De zendingsbond heeft 144 medewerkers in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Tijdens de jaarlijkse ‘toogdag’ vertelt een aantal van die medewerkers over het verloop van hun werkzaamheden. Tijdens de dienst wordt voorbede gedaan voor hun werk.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC 10 januari 2013
  3. NRC 4 augustus 2006