volvreten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vol·vre·ten
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

volvreten

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
volvreten
vrat vol
volgevreten
klasse 5 volledig
  1. (pejoratief) veel, snel, en ongezond, eten
    • Ze is ook niet meer de kille perfectioniste met het perfecte figuur en de onberispelijke kleding: Claire kampt net als de meeste andere vrouwen van haar leeftijd met overtollige pondjes. Haar gezellige vriend Dirk, die zich voortdurend volvreet, heeft daar ook de hand in. Er is bijna geen shot waarin Marcel Musters niét iets in zijn mond propt. Als hij Claire ten huwelijk vraagt in een restaurant, doet hij dat met olijventapenade tussen zijn tanden. Claire zegt volmondig ’ja’, maar gaandeweg slaat bij haar de twijfel toe. [1] 
    • Vakantie blijkt toch niet alleen maar goed voor ons te zijn. We rusten misschien wel meer en hebben minder stress, maar daar staat tegenover dat we ons volvreten en te veel suiker en vet binnen krijgen. Daarnaast wordt er meer gerookt en minder gesport. De positieve gevolgen van de vakantie vallen hierdoor helaas een beetje in het niet. [2] 
    • Melisa Schaufeli gaat weer naar de sportschool en is goed bezig, vertelt ze in haar nieuwe vlog. Ze bezoekt met vriendinnen een festival maar laat de patat aan zich voorbijgaan. 'Ik heb niet echt meer een dag dat ik me volvreet.' [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen