volpompen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vol·pom·pen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

volpompen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
volpompen
pompte vol
volgepompt
zwak -t volledig
  1. door pompen iets met een vloeistof vullen
    • Hoe rijmt dat met het vanuit Colombia, Bolivia en Peru letterlijk volpompen van containers met coke naar Europa? Zijn de Zuid-Amerikaanse drugskartels zo desperaat dat ze hun handelsvoorraad maar gewoon op de Europese markt dumpen? Zoals autofabrikanten vaak doen met hun overtollige modellen.[2] 
    • Zij laat de burger daarmee geloven dat wij niet zorgvuldig omgaan met onze dieren en dat wij geen oog hebben voor hun gezondheid en welzijn. Mevrouw Dikkers schetst de burger een beeld dat wij onze dieren volpompen met antibiotica zodat ze maar op hun benen blijven staan. Dit doet ons niet alleen pijn, haar uitspraken zijn ook nog eens pertinent onjuist.[3] 
    • Daar lig je dan. Gelukkig was Inge superlief en ze vertelde zoals beloofd precies wat ze ging doen en wat me mogelijk te wachten stond. Voor mijn gevoel duurde het allemaal een eeuwigheid. Het voelt ook zo onnatuurlijk om daar te liggen en je vrijwillig te laten volpompen met gif.[4] 
Verwante begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf JOHN VAN DEN HEUVEL 07 dec. 2016
  3. de Telegraaf 08 dec. 2015
  4. de Telegraaf 24 okt. 2014
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be