volop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vol·op
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

volop

  1. in ruime mate
    • Er is volop gelegenheid om antilopen waar te nemen in het Krugerpark. 
    • In de Baptistenkerk aan de Hoofdweg zijn deze woensdagmorgen de groepen 6, 7 en 8 van de basisscholen De Blokstoeke en De Fontein bijeen. Want het is Dankdag voor Gewas en Arbeid. En waar in grote delen van Nederland deze christelijke feestdag een vrijwel onbekend fenomeen is geworden, wordt er hier in Westerhaar volop aandacht aan besteed. [2] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Afrikaans

stellend vergrotend overtreffend
volop volopper volopste

Bijvoeglijk naamwoord

volop

  1. talrijk
    «Die aardhommel is een van die volopste hommelbyspesies in Europa.»
    De aardhommel is een van de talrijkste hommelsoorten van Europa.

Bijwoord

volop

  1. volop