volleerd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vol·leerd
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen volleerd volleerder volleerdst
verbogen volleerde volleerdere volleerdste
partitief volleerds volleerders -

Bijvoeglijk naamwoord

volleerd [2]

  1. alles geleerd hebben wat er maar te leren valt op een bepaald gebied of nodig is voor een bepaalde taak
    • Heel Hollywood baktJustin Timberlake blijkt ook gek te zijn op taarten bakken, zo laat zijn vrouw Jessica Biel op Instagram zien. De zanger bereidt een heerlijke pompoen-meringue taart en brandt het schuim als een volleerd patissier.[3] 
  2. zo ervaren zijn dat je niets meer hoeft bij te leren om een bepaalde taak uit te kunnen voeren
    • Het twee maanden oude meisje heeft haar eigen Instagramaccount en richt haar grote bruine kijkers al volleerd op de lens van de camera. „Pappie weet hoeveel ik van luipaardprint houd”, luidt het bijschrift.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen