voldaanheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vol·daan·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voldaanheid voldaanheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

voldaanheid v [1]

  1. de mate waarin iemand tevreden is (na een geleverde prestatie)
     En dan die markten. Die boerinnen. De voldaanheid. Ergens bestaat het leven nog.[2]
     Peter Huirne wordt door echtgenoot Daniëlle opgevangen. De ogen van Huirne staan hol van vermoeidheid. Weinig slaap, veel lopen en uren achter het stuur van de begeleidende bus hebben hun sporen nagelaten. De eerste reacties zijn die van een ultieme voldaanheid, van intens geluk dat iedereen deze monsterlijke tocht tot een goed einde heeft gebracht. "We hebben zoveel meegemaakt, dat is echt onvoorstelbaar", blikt hardloper Huirne bij de finish in vogelvlucht terug op estafetteloop over meer dan 1.500 kilometer. "We gingen zondag weg met 30 graden en liepen niet veel later dagenlang door regen en kou. Loodzwaar. Maar we hebben elkaar er doorheen gesleept en dat is heel mooi om mee te maken."[3]
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen


Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Boris Pasternak (vert. Margriet Berg en Marja Wiebes) op Wikipedia “Dokter Zjivago” (1957), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028261396
  3. Bronlink geraadpleegd op 6 april 2022 Weblink bron “Na meer dan 1.500 kilometer hardlopen finishen in Haaksbergen” (18-09-2017), Tubantia