voetval

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

voetval
Uitspraak
Woordafbreking
  • voet·val
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voetval voetvallen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

voetval m [2]

  1. op één of twee knieën gaan zitten als teken van eerbied of onderwerping
     De Eurotop heeft niet alleen niets opgeleverd, Europa boldert voort in de richting van een crisis die zijn weerga niet kent. En de voetval voor de Duitse eisen effent de weg naar economische stagnatie en sociale chaos.[3]
  2. (religie) kapelletje waarbij een gebed doet en deel uitmaakt van een kruisweg
     Tijdens een smakelijke lunch bestuderen we de fietskaart. Vanaf knooppunt 32 geeft de kaart twee pijltjes aan en dat staat voor 'steile helling'. Maar met de juiste fiets met versnellingen en een beetje conditie blijkt de steilte op de Kollenberg (kolle betekent heks) wel mee te vallen. De berg ligt op een uitloper van het plateau van Doenrade, op zich weer een uitloper van de Ardennen. Onderweg trappen we langs zeven voetvallen (kapelletjes) die het leven van Jezus uitbeelden. Boven staat de Sint-Rosakapel.[4]
Verwante begrippen

Meer informatie

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. voetval op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron Steven Adolf “'Het ergste moet nog komen voor Europa'” (03-02-2012), Tubantia
  4. Bronlink Weblink bron RUTGER VAN DEN HOOFDAKKER “Rondje om de kerk” (12 jul. 2014), De Telegraaf
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be