voegde
Uiterlijk
- voeg·de
| vervoeging van |
|---|
| voegen |
voegde
- enkelvoud verleden tijd van voegen
- Ik voegde.
- Jij voegde.
- Hij, zij, het voegde.
- Ik voegde.
- ▸ 'En wie', voegde Augustinus daar retorisch aan toe, 'is er niet met dit bestaansfeit bekend?'9 Wel nieuw, lees ik in het Handbook of Jealousy, is de slechte reputatie die jaloezie tegenwoordig geniet.[1]
- ▸ De speciale positie 'van zo een eenzame vogel', voegde hij daaraan toe, 'is niet moeilijk te begrijpen'.[1]
- Het woord voegde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- 1 2 Lynn Berger“De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697