vod

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vod
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘lor’ voor het eerst aangetroffen in 1552 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vod vodden
verkleinwoord vodje vodjes

Zelfstandig naamwoord

vod o [3]

  1. een versleten stuk weefsel
    • Hij was zijn motor aan het poetsen met een vod. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen