vliegticket

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

AirlineTicket-2.jpg
Uitspraak
Woordafbreking
  • vlieg·tic·ket
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vliegticket vliegtickets
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vliegticket o

  1. vervoerbewijs dat een passagier recht geeft op vervoer per vliegtuig naar de bestemming die men geboekt heeft
    • „Mijn laatste grote uitgave was een vliegticket voor onze reis naar Zuid-Afrika in februari. Samen met mijn zus, zwager en een paar vrienden gaan we er twee weken rondreizen. Maar omdat we óók net op vakantie waren geweest naar Spanje en naar Rock Werchter waren geweest, hebben we toen wel even zuinig aan moeten doen.” [1] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Liza Titawano 13 december 2016