vivant
Uiterlijk
vivant
- tegenwoordig deelwoord (participe présent) van vivre
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| mannelijk | vivant | vivants |
| vrouwelijk | vivante | vivantes |
vivant
- levend, in leven
- (figuurlijk) levendig
- (figuurlijk) naar/volgens het leven, natuurgetrouw
- de son vivant "gedurende zijn/haar leven, tijdens zijn/haar leven"