Naar inhoud springen

visiteur

Uit WikiWoordenboek
  • vi·si·teur
enkelvoud meervoud
naamwoord visiteur visiteurs
verkleinwoord visiteurtje visiteurtjes

devisiteurm

  1. (beroep) iemand die visiteert (b.v. een beambte aan de grenzen)
88 %van de Nederlanders;
83 %van de Vlamingen.[3]


  enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mannelijk   visiteur     le visiteur     visiteurs     les visiteurs  
vrouwelijk   visiteuse     la visiteuse     visiteuses     les visiteuses  

visiteur m

  1. bezoeker; gast
  2. (beroep) visiteur; iemand die als beroep heeft om mensen te controleren, te fouilleren, ...