Naar inhoud springen

viseren

Uit WikiWoordenboek
  • vi·se·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
viseren
viseerde
geviseerd
zwak -d volledig

viseren

  1. overgankelijk: (m.b.t. een akte, pas, enz.) voor gezien tekenen
  2. inergatief: mikken met een vuurwapen
  3. inergatief: beogen (Belgisch-Nederlands)
  4. in het oog houden (Belgisch-Nederlands)
54 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[3]
  • vi·se·ren

viseren, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van viser