visere

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vi·se·re

Werkwoord

vervoeging van
viseren

visere

  1. aanvoegende wijs van viseren


Deens

Woordafbreking
  • vi·se·re

Zelfstandig naamwoord

visere, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van viser