visachtigers

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·ach·ti·gers
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

visachtigers

  1. partitief van de vergrotende trap van visachtig

Gangbaarheid