vim

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vim
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vim vimmen
verkleinwoord vimmetje vimmetjes

Zelfstandig naamwoord

vim v/m [4] [5]

  1. (huishouden) schuurmiddel dat gebruikt wordt in het huishouden als schoonmaakmiddel
     De huizen op wielen, die behalve een gezinsvoorraad hagelslag, suikerklontjes, mierenlokdoosjes en bussen vim ook een mattenklopper herbergen.[6]
     Lex, een van de bewoners van de flat aan de Logger die liever niet wil dat zijn achternaam gepubliceerd wordt, zag op 8 april omstreeks kwart over twee middags twee oudere dames van rond de 75 en 85 jaar driftig staan te boenen in de lift. 'Ze probeerden de hakenkruisen weg te krijgen. Ze waren helemaal ontdaan. Dit mag Jaap niet zien, zeiden ze. Ze probeerden het met vim eraf te halen. Want als hij het wel zag, zou hij heel erg van streek zijn.[7]
  2. houtstapel
  3. hoeveelheid van 104 of 120 bos (bossen stro) [8]

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
25 % van de Vlamingen.[9]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. vim op website: Etymologiebank.nl
  2. vim op website: Etymologiebank.nl
  3. vim op website: Etymologiebank.nl
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  6. Bronlink Weblink bron Angela de Jong op Wikipedia “Vijf redenen om aan te haken op We zijn er Bijna!” (31-07-2017), Tubantia
  7. Bronlink Weblink bron Hanneloes Pen “Apothekerszoon ontkent tekenen hakenkruisen in Amstelveense flats” (30 juni 2015), Het Parool
  8. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Latijn

Zelfstandig naamwoord

vim

  1. accusatief vrouwelijk enkelvoud van vĭs