viezerd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vie·zerd
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van vies met het achtervoegsel -erd
enkelvoud meervoud
naamwoord viezerd viezerds
verkleinwoord viezerdje viezerdjes

Zelfstandig naamwoord

viezerd m [1]

  1. een smerig, ongewassen persoon
    • „Wakker worden, viezerd”, zegt mamma Ezel als ze thuiskomt. „Het is tijd voor je badje.” „HOEFT NIET VAN KIP!” is het humoristische slot van dit herkenbare verhaal. [2] 
  2. (pejoratief) iemand die ontoelaatbare seksuele handelingen verricht
    • Dezer dagen kennen we Roman Polanski vooral als de viezerd die zich in 1977 vergreep aan een dertienjarige. The ghost writer moet ons aan zijn regisseurstalent herinneren. In deze thriller ontdekt de ghostwriter van een Britse ex-premier — die niet Tony Blair heet, maar er wel heel sterk op hem lijkt — duistere geheimen die de wereldpolitiek flink kunnen beroeren. [3] 
    • De eerste jaren was het knokken. We speelden op velden waar niemand te zien was, of het moesten de jongens zijn die de meisjes uitlachten. Veel verenigingen dachten met een dameselftal leden voor de schoonmaakploeg binnen te halen. Vooroordelen moesten worden overwonnen. En erger. Ik weet nog wel dat er een scheidsrechter was die altijd zogenaamd zijn jasje in de kleedkamer had laten liggen. Die viezerd hebben we het complex afgejaagd. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Marianne Witvliet 28-01-2004 „Het water spettert van de pagina’s”
  3. De Standaard 02 JANUARI 2010 FILM 2010
  4. Het Parool 19 MAART 2008 uitgelachen-maar-alsnog-bejubeld
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be