viervoudig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vier·vou·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen viervoudig
verbogen viervoudige
partitief viervoudigs

Bijvoeglijk naamwoord

viervoudig

  1. voor de vierde keer
    • Hij is viervoudig zwemkampioen van Nederland. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.