viervoud

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vier·voud
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van vier met het achtervoegsel -voud
enkelvoud meervoud
naamwoord viervoud viervouden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

viervoud o [1]

  1. iets dat viermaal zo veel of groot is als iets anders
    • Je moet het formulier in viervoud inleveren. 
    • Mocht David Nolens inderdaad ook zélf twijfelen aan wie hij is, dan kan op dit punt in elk geval geconstateerd worden dat hij een zoon van zijn vader is, want net als senior is hij geïntrigeerd door dat ik-vraagstuk. Hij heeft dat in de roman in viervoud uitgewerkt: we volgen het liefdespaar Jean en Anna, hun huisvriend Jack en een broze, aan de zelfkant levende transgender die vroeger Nassim heette, maar die nu als Nassima door het leven gaat. Jean krijgt de meeste aandacht van Nolens. [2] 
  2. door 4 deelbaar getal
    • 8 is het viervoud van 2. 
    • 16 is een viervoud. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Sebastiaan Kort 2 januari 2017