viel voor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • viel voor
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
voorvallen

viel voor

  1. enkelvoud verleden tijd van voorvallen
    • Ik viel voor. 
    • Jij viel voor. 
    • Hij, zij, het viel voor. 
Opmerkingen
  • Het werkwoord komt vrijwel alleen in de derde persoon voor.


Gangbaarheid