vider
Uiterlijk
- vi·der
vider
- tegenwoordige tijd van vide
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vider |
vidais |
vidé |
| eerste groep | volledig | |
vider
- overgankelijk legen; leeg maken; ledigen
- overgankelijk (spreektaal) de zak geven, ontslaan [1]