vic

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: VIC

Engels

enkelvoud meervoud
vic vics

Zelfstandig naamwoord

vic

  1. (verkorting), (spreektaal) victim
    «The vic got bussed to [the hospital]. He lost a lot of blood, but he should be okay.»
    Het slachtoffer werd vervoerd naar [het ziekenhuis]. Hij verloor veel bloed, maar het gaat vast goed met hem.[1]

Verwijzingen

  1. Manfredo, Lou (2011). Rizzo's Fire, p. 20. Uitg.: Atlantic Books, ISBN 9780857894717.