viaticum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

[2] viaticum
Uitspraak
Woordafbreking
  • vi·a·ti·cum
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord viaticum viaticums
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

viaticum o [2]

  1. (religie) vergoeding die een dominee ontvangt voor het houden van een preek
     Ooit heette de preekvergoeding in keurig kerklatijn ”viaticum”, teerkost voor onderweg. Daar was vooral het reisgeld mee bedoeld. Het is inderdaad reëel dat er in de gemaakte uitgaven wordt voorzien. De vervoerskosten rijzen de pan uit.[3]
  2. (religie) communie gegeven aan een stervende als deel van de laatste sacramenten
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

18 % van de Nederlanders;
21 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. viaticum op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron “Vergoeding predikbeurten kan soms minder” (22-12-2011), Reformatorisch Dagblad
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be