vezelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking

ve·ze·len

Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vezelen
vezelde
gevezeld
zwak -d volledig

Werkwoord

vezelen

  1. fluisteren
    • ‘Maar zwijg toch’, vezelde het wijf met den angst op het lijf. [1]
Schrijfwijzen

Gangbaarheid

63 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. in: "Biekorf" jrg. 45 (1939) A. Van Poelvoorde, Brugge p. 218; geraadpleegd 2014-06-02
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be