verzekerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ze·ker·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verzekerde verzekerden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

verzekerde v/m

  1. iemand wiens belang of lijf is verzekerd
    • Bij het eigen risico betaalt de verzekerde de eerste kosten uit eigen zak. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
verzekeren

verzekerde

  1. enkelvoud verleden tijd van verzekeren
    • Ik verzekerde. 
    • Jij verzekerde. 
    • Hij, zij, het verzekerde. 

Bijvoeglijk naamwoord

verzekerde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van verzekerd

Meer informatie

Gangbaarheid