verzaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·za·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zich afkeren, afvallig worden’ voor het eerst aangetroffen in 776 [1]
  • afgeleid van zaken met het voorvoegsel ver- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verzaken
verzaakte
verzaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

verzaken [3]

  1. overgankelijk een plicht niet nakomen, verzuimen, verloochenen
  2. overgankelijk bij het kaartspel: een troef of kleur niet bekennen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen