verwonden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·won·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verwonden
verwondde
verwond
zwak -d volledig

Werkwoord

verwonden

  1. overgankelijk lichamelijk letsel veroorzaken
    • De pijl verwondde de ruiter. 
  2. wederkerend lichamelijk letsel oplopen
    • Hij viel in het prikkeldraad en verwondde zich lelijk. 
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
verwinden

verwonden

  1. meervoud verleden tijd van verwinden
    • Wij verwonden. 
    • Jullie verwonden. 
    • Zij verwonden. 
  2. voltooid deelwoord van verwinden

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.