verwilderde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·wil·der·de

Deelwoord

verwilderde

  1. verbogen vorm van het voltooid deelwoord verwilderd van verwilderen

Bijvoeglijk naamwoord

verwilderde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van verwilderd

Werkwoord

vervoeging van
verwilderen

verwilderde

  1. enkelvoud verleden tijd van verwilderen
    • Ik verwilderde. 
    • Jij verwilderde. 
    • Hij, zij, het verwilderde.